Schrijfbeest: korte verhalen

Wednesday, April 18, 2007

Het zwarte jasje

Doen. Niet doen. Doen. Niet doen. Doen: ik vind dit shirtje geweldig, en ik heb het op zich ook wel nodig. Niet doen: ik kan het niet betalen. Oh God, ik kan niet beslissen. Het welbekende Engeltje en Duiveltje zitten elk op één van mijn schouders. Deze twee kleine vriendjes zijn mijn trouwste metgezellen als het op shoppen aankomt. Ik heb mijn vriendinnen niet eens meer nodig. Ik shop regelmatig in mijn eentje. Met Engeltje en Duiveltje. Engeltje heeft een klein rekenmachientje in de zak van zijn witte gewaad. Zijn berekeningen komen altijd uit op hetzelfde: niet doen. Want: geen geld, of tenminste, niet genoeg. Dus: geen nieuwe tas, geen nieuw shirtje, geen nieuw paar schoenen.
Maar Duiveltje doet niet aan berekeningen. Hij vindt berekeningen nutteloos. Ze verpesten de lol. Als je iets leuk vindt, moet je het gewoon kopen. Hij kan er altijd een goeie reden voor bedenken. Omdat ik over een paar jaar oud en dik zal zijn, te dik om in dit soort leuke shirtjes te passen, dus het zou zonde zijn om het nu niet te kopen. Omdat ik toch wel een beetje lol mag hebben. Mijn leven is al saai genoeg. Omdat het afgeprijsd is, en ik mijn kans moet grijpen. Je vindt niet elke dag zo’n cool shirtje voor bijna geen geld. Natuurlijk wint Duiveltje altijd. Soms vraag ik me af waarom Engeltje nog de moeite neemt om met ons mee te gaan winkelen, want niemand luistert ooit naar hem. Ik denk dat hij meegaat omdat hij nou eenmaal een engel is: hij is te goed om het op te geven. Het zou zondig zijn om mij niet tegen mezelf te beschermen. Of zoiets. Ik ben duidelijk gek aan het worden. Heeft iemand iets in mijn drinken gedaan vanmorgen? Ik sta hier midden in een winkel één of ander gestoord verhaal te verzinnen over engeltjes en duiveltjes, terwijl er eigenlijk maar één ding is wat ik moet doen: maken dat ik wegkom, zo snel mogelijk. Niet toegeven aan de verleiding. Want achteraf voel ik me altijd slecht. Ik kom thuis en verstop het leuke shirtje waar ik zo weg van was, omdat ik me voor mezelf schaam. En als ik nu al weet dat ik dit shirtje ga verstoppen in plaats van het te dragen, heeft het absoluut geen zin om het te kopen. Dus waarom kan ik niet gewoon weggaan? Misschien moet ik het even passen. Soms helpt dat. Als ik mezelf het shirtje zie dragen, ziet het er vaak niet zo leuk uit als ik in gedachten had, en kan ik mijn eigen kleren weer aantrekken en met een schoon geweten de winkel verlaten. Behalve wanneer ik dan weer iets anders zie wat ik wil hebben, maar dit keer ga ik proberen niet naar andere dingen te kijken. Ik ga even dit shirtje passen, en als het niet leuk staat, ga ik naar huis. Gewoon naar huis. Niet naar een andere winkel. Ik heb genoeg winkels gezien vandaag, en ik heb zeker al genoeg geld uitgegeven. Hierna kap ik ermee. Een verkoopster – die een smetteloos wit jurkje draagt dat perfect past – knikt vriendelijk naar me als ik een pashokje in ga. Ik denk dat ze me inmiddels wel zal kennen. Ik kom hier elke week. Ik doe alsof ik haar niet ken en doe snel het deurtje dicht. Ik schaam me voor mezelf. Ze weet vast dat ik koopverslaafd ben. Dat is waarom ze naar me knikte. Ze heeft medelijden met me. God, dat is genant. Ik ben blij dat dit pashokje een spiegel aan de binnenkant heeft.
Ik doe mijn trenchcoat uit. Drie maanden geleden was ik er verliefd op. Een rode trenchcoat, zo hip. Maar nu ben ik ‘m zat. Hij is te rood. En zo goed staat hij me nou ook weer niet. Ik moet een nieuwe jas kopen, voor die laatste paar maanden. Ja, dat moet ik echt maar doen. Ik wil een leuk, kort, zwart jasje met een capuchon. Misschien hebben ze zoiets hier. Ik zal nog één keer rondkijken voor ik naar huis ga.
Ik trek mijn shirtje uit en doe het leuke shirtje aan. Als ik het over mijn hoofd trek, weet ik dat het goed voelt. En als ik in de spiegel kijk, weet ik het helemaal zeker: dit is een must-have. Het staat me geweldig. Ik lijk zo slank! Dit shirtje is een wonder. Niet alleen ga ik deze zeker kopen, ik ga ‘m ook kopen in nog drie andere kleuren. Dit shirtje is zo geweldig, daar wil ik er niet maar één van hebben. Ik wil er meer, meer, meer.
“Maar!” piept Engeltje, die plotseling terug is op mijn linker schouder. “Ik dacht dat we hadden afgesproken dat je dit shirtje ging passen om jezelf te bewijzen dat het er verschrikkelijk uitzag wanneer je het aanhad. Je zou het niet echt gaan kopen. Dat was de bedoeling niet.” “Ach, hou je kop toch,” zegt Duiveltje. “Je wist niet dat het zo goed zou staan, of wel? Je moet een uitzondering maken.” “Precies,” beaam ik, terwijl ik mijn eigen shirtje weer aantrek. Meteen klopt de verkoopster op de deur van het pashokje. “Sorry? Kan ik u helpen?” Shit, ik heb het hardop gezegd. Nu denkt ze vast dat ik gek ben. Koopverslaafd én gek. “Nee, nee, het gaat prima,” antwoord ik snel. Mijn wangen zijn bijna net zo rood als mijn jas als ik langs haar loop.
Vijf minuten later sta ik bij de kassa met mijn nieuwe favoriete shirtje in het zwart, wit, groen en roze. Natuurlijk word ik geholpen door de verkoopster die denkt dat ik getikt ben. “Dat wordt dan 61,95, alsjeblieft,” zegt ze koeltjes. Ik knik en probeer zelfverzekerd over te komen. “Ik wou het even pinnen.” Duiveltje, op mijn rechter schouder, maakt triomfantelijk allerlei obscene gebaren naar Engeltje op mijn linker schouder. Maar dan gebeurt er iets dat we geen van drieën verwacht hadden. Er piept iets. De verkoopster kucht ongemakkelijk. Ik hoef haar niet aan te kijken. Ik weet wat er gebeurd is. Ik kan deze shirtjes helemaal niet kopen. Ik heb te weinig geld op mijn rekening. Schande, schande, schande. “Probeer er gewoon één te kopen!” zegt Duiveltje. “Dat kun je misschien wel betalen. Koop gewoon dat shirtje dat je als eerste wilde.” Maar voor de verandering luister ik niet naar hem. “Sorry,” mompel ik. Dan storm ik naar buiten.

Als ik de miezer in loop, voel ik me leeg en schaam ik me voor mezelf. Mijn saldo is nul. Of nog minder dan nul. En waarom? Omdat ik geshopt heb. Omdat ik in de laatste twee weken drie shirtjes gekocht heb, twee truien, een spijkerbroek, twee rokjes en een paar schoenen. Het is makkelijk om te zeggen dat je een shopaholic bent. Veel mensen zeggen dat. Het betekent dat ze gewoon van shoppen houden. Maar voor mij is het niet zo makkelijk. Ik denk ik dat ik een probleem heb. Ik ben serieus verslaafd. Ik moet stoppen met al dat winkelen. Maar als ik dat nou niet kan?
“Als je stopt met shoppen,” zegt Duiveltje. “Wordt je leven ontzettend saai. Net zo saai als de hel. En geloof me, de hel is flink saai.” “Maar je móet ermee stoppen,” zegt Engeltje. “Je zult gewoon wel moeten. Je hebt het absolute dieptepunt bereikt. Wat ga je nu doen?” Ik weet niet wat ik ga doen. Op dit moment slenter ik gewoon door de winkelstraat. Het is al bijna Kerstmis. En ik ben te arm om één klein cadeautje voor mezelf te kopen. “Heb je inmiddels niet genoeg cadeautjes voor jezelf gekocht?” vraagt Engeltje nogal sarcastisch. Duiveltje gromt. “Laat hem maar kletsen. En dat noemt zichzelf een engel. Hij begrijpt niet eens dat het al erg genoeg is dat je alleen bent met Kerst. Niet één cadeautje onder de kerstboom.” Van die gedachte moet ik bijna huilen. Ik zie mijn eigen spiegelbeeld in een ruit. Pluizig haar en een belachelijke rode trenchcoat die me absoluut niet staat. God, ik moet een nieuwe jas hebben. En ik moet een kerstcadeautje hebben.
Ik kijk naar de etalages. Dan zie ik het. Mijn jasje. Mijn prachtige nieuwe jasje. Kort, zwart, met een capuchon. Tomboy-achtig en tegelijk heel vrouwelijk. Veel leuker dan die stomme trenchcoat. Ik ben bang dat dit een must-have is. Engeltje zucht wanhopig. “Het is een can’t-have. Je. Hebt. Geen. Geld. Doe niet zo stom. Martel jezelf niet langer. Ga gewoon naar huis!” Maar ik kan maar aan één ding denken. Het is een must-have. Zo simpel is het. Ik moet dit jasje hebben. “Je bent echt hopeloos! Wat ga je doen, dat jasje stelen?” Duiveltje grinnikt. “Weet je, soms heeft hij best een goed idee.” Nee. Stelen? Zo diep wil ik niet zinken. Dat mijn saldo het nulpunt heeft bereikt, is al erg genoeg. “Oh, kom op,” zegt Duiveltje. “Iedereen zou één keer in zijn leven iets moeten stelen. Veel dieven worden nooit gepakt. En trouwens, het is niet eens een duur jasje.” Ik ga het gewoon even passen, besluit ik. Gewoon om te kijken hoe het staat. Misschien staat het wel voor geen meter. Dat zou makkelijk zijn. En als het wel leuk staat, zal ik dat beeld in gedachten houden als een kerstcadeautje voor mezelf. En als ik mijn volgende salaris krijg, koop ik het. Daar kan ik me dan op verheugen als ik met Kerst helemaal alleen in mijn flat zit.
Weer knikt er een verkoopster naar me als ik het pashokje in ga. Maar dit keer weet ik dat dat niet is omdat ze me herkent, die arme koopverslaafde vrouw. Ik kom hier niet vaak. Ze weet niet wie ik ben. Ze is gewoon vriendelijk. Dat is een goed teken. Ik weet niet waarom, maar het voelt als een goed teken. En ze draagt een outfit die duidelijk is uitgezocht door haar baas, om reclame te maken voor de kleding in de winkel. De kleren staan haar niet. Dat is ook een goed teken.
Ik doe mijn jas uit en trek het coole zwarte jasje aan. Dit keer moet ik het hokje uit om in een enorme spiegel te kijken. “Staat leuk hè?” bemoeit de verkoopster zich er onmiddellijk mee, voordat ik ook maar de kans gekregen heb om zelf te kijken. Ik hou mijn hoofd schuin en bekijk mezelf. Ze heeft absoluut gelijk. Het staat leuk. Superleuk. “Zeg niet dat je het met haar eens bent,” fluistert Duiveltje in mijn oor. “Wat je ook zegt, zeg dat niet.” Ik weet niet wat hij van me wil, maar ik gehoorzaam hem, zoals gewoonlijk. “Ik weet het niet…” Ik hoor mezelf de woorden zeggen alsof ze niet van mij komen. “Ik denk dat ik er nog een nachtje over moet slapen.” De verkoopster glimlacht. “Doe dat. We hebben nog zat van deze jasjes op voorraad.” “Zie je wel?” zegt Engeltje. “Je kunt terugkomen wanneer je het kunt betalen.”
“Ben je gek?” protesteert Duiveltje. “Je moet het hebben, NU! Het is een must-have. Je moet er niet mee wachten. Het is voor Kerst. Het is een kerstcadeautje, verdomme.”
“Je gaat geen jasje stelen. Je bent geen dief. En je zult geen dief worden ook.”
“Het is geen stelen. Het is lenen.”
“Dat zeggen alle dieven! Als je iets meeneemt zonder ervoor te betalen, heet dat stelen.”
“Nee, ik bedoel, je kunt het echt lenen! Je neemt het nu gewoon mee, en wanneer je geld hebt, kun je terugkomen en het alsnog betalen.”
“Dat is het stomste plan dat ik ooit gehoord heb. Stelen is slecht.”
“Niet waar. Het grootste deel van deze spullen is toch belachelijk duur. Ze kunnen niet verwachten dat je overal voor betaalt.”
Ik weet wie gelijk heeft. En ik weet wat ik ga doen. Ik ga niet het goede doen. Want om de één of andere reden wint Duiveltje altijd. Ik wil dit jasje. En ik kan alleen maar denken aan het feit dat ik alleen ben met Kerstmis en ik zie mezelf in dit jasje, wandelend door de besneeuwde straten, en alleen zijn zal plotseling cool zijn en mijn haar zal niet meer pluizig zijn en alles zal helemaal goedkomen en ik geloof echt dat dit jasje alles kan veranderen. Dus ik moet het hebben. En het is niet zo moeilijk, want ik ben een slim meisje. Ik heb vier jasje mee naar binnen genomen, in verschillende maten. Het zal de verkoopster niet opvallen als ik met drie jasjes naar buiten kom in plaats van met vier. En mijn trenchcoat is groot genoeg om één jasje te bedekken. De capuchon zit aan het jasje vast met drukkertjes. Het is belachelijk makkelijk om hem los te trekken en hem te verstoppen in mijn tas. Niemand zal het merken. En ik heb een gratis geweldig jasje.
Mijn hart bonst wild als ik het pashokje uitstap met drie jasjes. Het voelt alsof ik xtc of speed heb genomen of zoiets. Ik geef de drie jasjes aan de verkoopster. Ze kijkt me achterdochtig aan. Of misschien verzin ik dat maar. Dit is ongetwijfeld het engste dat ik ooit heb gedaan. Ik glimlach vriendelijk naar haar en loop weg. Als ik weg kan komen met dit jasje onder mijn jas, als dit me echt gaat lukken, weet ik dat ik alles kan.
Ik kan niet alles, realiseer ik me. Te laat. Wanneer er iets begint te piepen, net als eerder vanmiddag, maar nu harder, veel harder. Piep, piep, piep. Dief, dief, dief. “Maak dat je wegkomt!” zegt Duiveltje. “Zeg dat het per ongeluk was!” zegt Engeltje. Maar ik ben compleet verlamd. Ik kan me niet bewegen. Ik luister naar het gepiep tot ik een hand op mijn schouder voel. “Komt u maar eens even mee, mevrouw. Ik denk dat u iets uit te leggen heeft.” Maar ik denk niet dat ik dit kan uitleggen. Duiveltje heeft me hiertoe overgehaald. Ik moet gek zijn. Koopverslaafd en gek.

0 Comments:

Post a Comment

<< Home