Schrijfbeest: korte verhalen

Sunday, April 29, 2007

Obsessie

Voordat mensen rare dingen gaan denken van mij of mijn huisgenoten: dit verhaal is natuurlijk puur fictie!

Ik weet hoe haar ondergoed eruit ziet. Haar lingeriestijl is net zo gevarieerd als haar kledingstijl. Ze heeft simpele witte slipjes en doorzichtige, kant-achtige strings in verschillende kleuren. Jezus, wat zijn die dingen geil. Ik vraag me af waarom ze ze aan de waslijn heeft laten hangen. Zou ze al die dingen niet mee willen nemen naar Barcelona? Vooral die kanten. Die kan ze vast wel gebruiken als ze achter de gladde Spanjaarden aan gaat. Want dat zou ze gaan doen, zei ze vanmorgen lachend tegen me, terwijl ze haar tas aan het inpakken was. ,,Ze maken geen schijn van kans.” Ze grijnsde breed. Ik zag jurkjes in haar rugzak verdwijnen, rokjes, sexy hemdjes en zelfs twee paar hakken. Dat was de aanleiding van ons gesprek. ,,Je gaat toch maar een weekje?” merkte ik op. ,,En je studievereniging bestaat toch alleen maar uit meisjes?” Toen zei ze dat van die Spanjaarden. Misschien deed ze dat expres. Misschien voelde ze wat er zich bij mij onder de oppervlakte afspeelde. Het volgende moment sprong ze op om nog iets uit de douche te pakken. Licht neurotisch rende ze het hele huis door, drie trappen op, drie trappen af. Klopte op deuren van huisgenoten die ooit nog iets van haar geleend hadden dat ze NU terug moest hebben omdat het mee moest. Ze straalde van gespannen verwachting. En dat ondergoed is ze dus vergeten.

Twee maanden geleden stond ik op dezelfde plek als nu. Toen stond ik ook naar de was aan de waslijn te kijken, alleen dan met acht anderen. Achter de deur van Rick was het overleg in volle gang. Daarbinnen werd ons lot bepaald. Eén iemand zou de kamer krijgen. De rest had hier de hele avond voor niks gezeten. Natuurlijk hoopte ik vurig dat ik de gelukkige zou zijn. En niet alleen omdat ik het zat was om iedere dag drie uur in de trein te zitten. Ik had haar gezien en was verkocht. Ik moest bij haar in huis komen te wonen.
,,Check die groene bh,” zei de zweterige jongen die de hele avond naast me had gezeten. ,,Die is vast van dat meisje met dat rode haar.” Ik was dus niet de enige met een verborgen agenda. Maar hij zou die kamer niet krijgen, dat wist ik toen al. Het volgende moment ging de deur open en werd bekendgemaakt dat ik het geworden was. Iedereen droop af en ik kreeg nog een biertje. Zij ging alvast naar bed. Ze was doodmoe van de hospiteeravond en moest de volgende dag weer vroeg op. Ik vond het niet erg. Ik zou nog genoeg tijd hebben om haar te leren kennen.

Voorzichtig maak ik een knijper los. Mijn handen trillen licht als ik het stringetje van de waslijn pak. Ik breng het naar mijn neus en snuif de geur ervan op. Ik ruik voornamelijk wasverzachter, veel wasverzachter. Maar ik verbeeld me dat ik ook een zilte geur ruik. Haar geur.
Zou ze al weten dat ze geen ondergoed bij zich heeft? Hoe zou ze reageren? Ze zal er vast om lachen, iets lenen van haar vriendinnen – misschien wel van die wulpse blonde met die krullen – en in Barcelona heel veel nieuw ondergoed kopen. Rode kanten strings, een hele tas vol. Zonder erbij na te denken prop ik het stringetje in de zak van mijn broek.

Na een paar weken kende ik haar gewoontes. Ze eet haar boterhammen het liefst met pindakaas en hagelslag. Voor ze gaat slapen zet ze altijd nog even harde muziek op. Ze was haar haar met shampoo “voor dun en breekbaar haar”. Ze pakt gemiddeld om de vier dagen een schone handdoek. Ze drinkt standaard een glas rode wijn bij het avondeten. Ze leest opiniebladen terwijl ze kookt. Ze neemt iedere donderdagavond een jongen mee naar huis. Ze is meer een kreuner dan een schreeuwer. Ze stelt de afwas altijd zo lang mogelijk uit.
Ze weet niets van mijn gewoonten en dat is maar goed ook.

Het slot van haar deur is kapot. Dat weet ik omdat ik haar laatst heb geholpen toen ze het niet meer open kreeg. ,,Ik zou het maar even niet meer op slot doen, tot je er iemand naar hebt laten kijken,” raadde ik haar aan. Er is nog steeds niemand voor geweest. Ze stelt het steeds uit. Ze heeft een hekel aan die dingen. ,,Ik denk niet dat jullie mijn kamer zullen leegstelen,” zegt ze. Daar heeft ze gelijk in. Dat zou niemand hier ooit doen. En ik, ik zal nergens aankomen. Of in elk geval alles netjes terugleggen.
De zwarte gordijnen heeft ze dichtgedaan. Mijn ogen moeten even wennen aan het donker. Dan begin ik de contouren van haar spullen te onderscheiden. Haar bed, dat ik altijd hoor kraken en piepen door de muur heen. Haar klerenkast, een bakbeest van een ding waarin ze al haar mooie kleertjes bewaart. Haar bureau, waaraan ze studeert en chat met de jongens die hier op donderdagavond komen. Er hangt een vage parfumlucht. De klok tikt rustig mijn illegale seconden hier weg. Zachtjes sluit ik de deur achter me. Niemand mag me hier betrappen. Alleen ik begrijp wat ik hier doe. Ik wil haar kennen.
Ze heeft een hele la vol met ondergoed. Het ruikt allemaal hetzelfde: naar wasverzachter. Alleen in één bh hangt een vage rooklucht. Waarom heeft ze die niet in de was gedaan? Waarschijnlijk gewoon niet aan gedacht, sufgeneukt als ze was door een donderdagavondjongen.
Ik doe haar enorme klerenkast open. Opvallende lege plekken waar ze de kleren bewaart die ze nu heeft meegenomen naar Barcelona. Maar nog altijd genoeg om uit te kiezen. Hoe zou het voelen om haar te zijn? Ik trek mijn broek en shirt uit en laat een satijnen nachtponnetje over mijn hoofd glijden. De zachte, verleidelijke stof streelt mijn huid. Dus hier slaapt ze in, dit voelt ze als ze in bed ligt. Ik wil het nog even aanhouden voor ik terugga naar mijn hoekige, spijkerbroekdragende zelf. Wat maakt het uit? Ik heb alle tijd. Een hele week voordat ze terugkomt. Ze zijn nu waarschijnlijk nog niet eens in Frankrijk met die bus.
Zou ze een dagboek bijhouden? Zo ja, dan wil ik het lezen. Ik wil haar horen praten. Echt praten, niet over koetjes en kalfjes en ditjes en datjes. Ik wil weten of het waar is dat ze met Rick geneukt heeft. Ik wil weten wat háár smerige geheimen zijn. Iedereen heeft smerige geheimen, daar ben ik van overtuigd. Het is de kust om ze te weten zonder dat anderen achter die van jou komen.
Ik kijk in al haar laden, maar vind niets wat op een dagboek lijkt. Ik vind alleen maar oude collegeblokken, administratie, opladers. Ik weet nu wel dat ze bang is om ziek te worden, dat bleek duidelijk uit de uitgebreide polis van har ziektekostenverzekering. Maar dat is niet het soort informatie waarnaar ik op zoek ben.
Ik zet haar computer aan. Veel mensen houden tenslotte hun dagboek bij op de computer. Ik bekijk haar bestanden. Vooral veel gortdroge dingen voor haar studie. Essays, beschouwingen, excel-bestanden met grafieken. Ze heeft ook veel digitale foto’s. Ik bekijk ze allemaal, ook al word ik misselijk van al die blije groepjes met lachende mensen. Het lijkt wel of haar leven volledig schoon en helder is. Ze houdt haar smerige geheimen goed verborgen. Ze heeft zelf niet één erotisch getinte website in haar internetgeschiedenis. Ik zet haar computer weer uit.
Ik kijk haar kamer rond. Ik heb alles gezien en niets gevonden. Ik heb een leeg, onbevredigd gevoel, zoals wanneer een pornofilm vreselijk blijkt tegen te vallen. Dan valt mijn oog op een hoekje dat onder haar kussen uit steekt. Het hoekje van een rood schrift. Ik denk niet dat ze studieaantekeningen onder haar kussen zou verstoppen.
Voorzichtig ga ik op het bed zitten en trek het schriftje onder het kussen uit. Gulzig sla ik het open. Eindelijk een kijkje in haar geheimen.
Dan gaat haar deur open.

Ze was niet alleen haar ondergoed vergeten. Ze was in alle haast ook haar identiteitskaart vergeten. Ze kwam er achter toen de bus halverwege België was. Haar vriendinnen probeerden haar nog over te halen om gewoon mee te gaan. De kans dat ze gecontroleerd zouden worden was niet zo groot. Maar zij durfde het risico niet te nemen. Ze heeft haar tas uit het bagageruim gehaald en is teruggekomen.
Dat heeft ze me allemaal niet zelf verteld. ,,Godverdomme!” was het enige wat over haar lippen kwam toen ze haar kamer binnenliep en mij zag zitten, op haar bed, in één van haar satijnen nachtponnetjes, lezend in haar rode schrift. Ik begrijp wat voor indruk dat moet hebben gemaakt. Maar ik bedoelde het niet slecht. Ik wilde haar alleen maar leren kennen. Niemand heeft daar begrip voor gehad.
Ik zit nu weer bij mijn ouders. ,,We hoeven je zeker niet uit te leggen waarom we eisen dat je vandaag nog verhuist,” zei Rick, die ze er meteen bij riep, laf als ze is. Later heb ik hem nog een keer gebeld en geprobeerd het recht te zetten. Dat is niet echt gelukt. Maar ik weet nu in elk geval hoe het kon dat ze zo plotseling terugkwam. Dat had ik nooit kunnen voorzien. Dus de hele situatie is eigenlijk mijn schuld niet. En hoe vervelend het allemaal ook is, één ding heb ik er in ieder geval aan overgehouden. Ik haal het rode stringetje uit mijn zak en snuif er nog eens aan.

Wednesday, April 18, 2007

Het zwarte jasje

Doen. Niet doen. Doen. Niet doen. Doen: ik vind dit shirtje geweldig, en ik heb het op zich ook wel nodig. Niet doen: ik kan het niet betalen. Oh God, ik kan niet beslissen. Het welbekende Engeltje en Duiveltje zitten elk op één van mijn schouders. Deze twee kleine vriendjes zijn mijn trouwste metgezellen als het op shoppen aankomt. Ik heb mijn vriendinnen niet eens meer nodig. Ik shop regelmatig in mijn eentje. Met Engeltje en Duiveltje. Engeltje heeft een klein rekenmachientje in de zak van zijn witte gewaad. Zijn berekeningen komen altijd uit op hetzelfde: niet doen. Want: geen geld, of tenminste, niet genoeg. Dus: geen nieuwe tas, geen nieuw shirtje, geen nieuw paar schoenen.
Maar Duiveltje doet niet aan berekeningen. Hij vindt berekeningen nutteloos. Ze verpesten de lol. Als je iets leuk vindt, moet je het gewoon kopen. Hij kan er altijd een goeie reden voor bedenken. Omdat ik over een paar jaar oud en dik zal zijn, te dik om in dit soort leuke shirtjes te passen, dus het zou zonde zijn om het nu niet te kopen. Omdat ik toch wel een beetje lol mag hebben. Mijn leven is al saai genoeg. Omdat het afgeprijsd is, en ik mijn kans moet grijpen. Je vindt niet elke dag zo’n cool shirtje voor bijna geen geld. Natuurlijk wint Duiveltje altijd. Soms vraag ik me af waarom Engeltje nog de moeite neemt om met ons mee te gaan winkelen, want niemand luistert ooit naar hem. Ik denk dat hij meegaat omdat hij nou eenmaal een engel is: hij is te goed om het op te geven. Het zou zondig zijn om mij niet tegen mezelf te beschermen. Of zoiets. Ik ben duidelijk gek aan het worden. Heeft iemand iets in mijn drinken gedaan vanmorgen? Ik sta hier midden in een winkel één of ander gestoord verhaal te verzinnen over engeltjes en duiveltjes, terwijl er eigenlijk maar één ding is wat ik moet doen: maken dat ik wegkom, zo snel mogelijk. Niet toegeven aan de verleiding. Want achteraf voel ik me altijd slecht. Ik kom thuis en verstop het leuke shirtje waar ik zo weg van was, omdat ik me voor mezelf schaam. En als ik nu al weet dat ik dit shirtje ga verstoppen in plaats van het te dragen, heeft het absoluut geen zin om het te kopen. Dus waarom kan ik niet gewoon weggaan? Misschien moet ik het even passen. Soms helpt dat. Als ik mezelf het shirtje zie dragen, ziet het er vaak niet zo leuk uit als ik in gedachten had, en kan ik mijn eigen kleren weer aantrekken en met een schoon geweten de winkel verlaten. Behalve wanneer ik dan weer iets anders zie wat ik wil hebben, maar dit keer ga ik proberen niet naar andere dingen te kijken. Ik ga even dit shirtje passen, en als het niet leuk staat, ga ik naar huis. Gewoon naar huis. Niet naar een andere winkel. Ik heb genoeg winkels gezien vandaag, en ik heb zeker al genoeg geld uitgegeven. Hierna kap ik ermee. Een verkoopster – die een smetteloos wit jurkje draagt dat perfect past – knikt vriendelijk naar me als ik een pashokje in ga. Ik denk dat ze me inmiddels wel zal kennen. Ik kom hier elke week. Ik doe alsof ik haar niet ken en doe snel het deurtje dicht. Ik schaam me voor mezelf. Ze weet vast dat ik koopverslaafd ben. Dat is waarom ze naar me knikte. Ze heeft medelijden met me. God, dat is genant. Ik ben blij dat dit pashokje een spiegel aan de binnenkant heeft.
Ik doe mijn trenchcoat uit. Drie maanden geleden was ik er verliefd op. Een rode trenchcoat, zo hip. Maar nu ben ik ‘m zat. Hij is te rood. En zo goed staat hij me nou ook weer niet. Ik moet een nieuwe jas kopen, voor die laatste paar maanden. Ja, dat moet ik echt maar doen. Ik wil een leuk, kort, zwart jasje met een capuchon. Misschien hebben ze zoiets hier. Ik zal nog één keer rondkijken voor ik naar huis ga.
Ik trek mijn shirtje uit en doe het leuke shirtje aan. Als ik het over mijn hoofd trek, weet ik dat het goed voelt. En als ik in de spiegel kijk, weet ik het helemaal zeker: dit is een must-have. Het staat me geweldig. Ik lijk zo slank! Dit shirtje is een wonder. Niet alleen ga ik deze zeker kopen, ik ga ‘m ook kopen in nog drie andere kleuren. Dit shirtje is zo geweldig, daar wil ik er niet maar één van hebben. Ik wil er meer, meer, meer.
“Maar!” piept Engeltje, die plotseling terug is op mijn linker schouder. “Ik dacht dat we hadden afgesproken dat je dit shirtje ging passen om jezelf te bewijzen dat het er verschrikkelijk uitzag wanneer je het aanhad. Je zou het niet echt gaan kopen. Dat was de bedoeling niet.” “Ach, hou je kop toch,” zegt Duiveltje. “Je wist niet dat het zo goed zou staan, of wel? Je moet een uitzondering maken.” “Precies,” beaam ik, terwijl ik mijn eigen shirtje weer aantrek. Meteen klopt de verkoopster op de deur van het pashokje. “Sorry? Kan ik u helpen?” Shit, ik heb het hardop gezegd. Nu denkt ze vast dat ik gek ben. Koopverslaafd én gek. “Nee, nee, het gaat prima,” antwoord ik snel. Mijn wangen zijn bijna net zo rood als mijn jas als ik langs haar loop.
Vijf minuten later sta ik bij de kassa met mijn nieuwe favoriete shirtje in het zwart, wit, groen en roze. Natuurlijk word ik geholpen door de verkoopster die denkt dat ik getikt ben. “Dat wordt dan 61,95, alsjeblieft,” zegt ze koeltjes. Ik knik en probeer zelfverzekerd over te komen. “Ik wou het even pinnen.” Duiveltje, op mijn rechter schouder, maakt triomfantelijk allerlei obscene gebaren naar Engeltje op mijn linker schouder. Maar dan gebeurt er iets dat we geen van drieën verwacht hadden. Er piept iets. De verkoopster kucht ongemakkelijk. Ik hoef haar niet aan te kijken. Ik weet wat er gebeurd is. Ik kan deze shirtjes helemaal niet kopen. Ik heb te weinig geld op mijn rekening. Schande, schande, schande. “Probeer er gewoon één te kopen!” zegt Duiveltje. “Dat kun je misschien wel betalen. Koop gewoon dat shirtje dat je als eerste wilde.” Maar voor de verandering luister ik niet naar hem. “Sorry,” mompel ik. Dan storm ik naar buiten.

Als ik de miezer in loop, voel ik me leeg en schaam ik me voor mezelf. Mijn saldo is nul. Of nog minder dan nul. En waarom? Omdat ik geshopt heb. Omdat ik in de laatste twee weken drie shirtjes gekocht heb, twee truien, een spijkerbroek, twee rokjes en een paar schoenen. Het is makkelijk om te zeggen dat je een shopaholic bent. Veel mensen zeggen dat. Het betekent dat ze gewoon van shoppen houden. Maar voor mij is het niet zo makkelijk. Ik denk ik dat ik een probleem heb. Ik ben serieus verslaafd. Ik moet stoppen met al dat winkelen. Maar als ik dat nou niet kan?
“Als je stopt met shoppen,” zegt Duiveltje. “Wordt je leven ontzettend saai. Net zo saai als de hel. En geloof me, de hel is flink saai.” “Maar je móet ermee stoppen,” zegt Engeltje. “Je zult gewoon wel moeten. Je hebt het absolute dieptepunt bereikt. Wat ga je nu doen?” Ik weet niet wat ik ga doen. Op dit moment slenter ik gewoon door de winkelstraat. Het is al bijna Kerstmis. En ik ben te arm om één klein cadeautje voor mezelf te kopen. “Heb je inmiddels niet genoeg cadeautjes voor jezelf gekocht?” vraagt Engeltje nogal sarcastisch. Duiveltje gromt. “Laat hem maar kletsen. En dat noemt zichzelf een engel. Hij begrijpt niet eens dat het al erg genoeg is dat je alleen bent met Kerst. Niet één cadeautje onder de kerstboom.” Van die gedachte moet ik bijna huilen. Ik zie mijn eigen spiegelbeeld in een ruit. Pluizig haar en een belachelijke rode trenchcoat die me absoluut niet staat. God, ik moet een nieuwe jas hebben. En ik moet een kerstcadeautje hebben.
Ik kijk naar de etalages. Dan zie ik het. Mijn jasje. Mijn prachtige nieuwe jasje. Kort, zwart, met een capuchon. Tomboy-achtig en tegelijk heel vrouwelijk. Veel leuker dan die stomme trenchcoat. Ik ben bang dat dit een must-have is. Engeltje zucht wanhopig. “Het is een can’t-have. Je. Hebt. Geen. Geld. Doe niet zo stom. Martel jezelf niet langer. Ga gewoon naar huis!” Maar ik kan maar aan één ding denken. Het is een must-have. Zo simpel is het. Ik moet dit jasje hebben. “Je bent echt hopeloos! Wat ga je doen, dat jasje stelen?” Duiveltje grinnikt. “Weet je, soms heeft hij best een goed idee.” Nee. Stelen? Zo diep wil ik niet zinken. Dat mijn saldo het nulpunt heeft bereikt, is al erg genoeg. “Oh, kom op,” zegt Duiveltje. “Iedereen zou één keer in zijn leven iets moeten stelen. Veel dieven worden nooit gepakt. En trouwens, het is niet eens een duur jasje.” Ik ga het gewoon even passen, besluit ik. Gewoon om te kijken hoe het staat. Misschien staat het wel voor geen meter. Dat zou makkelijk zijn. En als het wel leuk staat, zal ik dat beeld in gedachten houden als een kerstcadeautje voor mezelf. En als ik mijn volgende salaris krijg, koop ik het. Daar kan ik me dan op verheugen als ik met Kerst helemaal alleen in mijn flat zit.
Weer knikt er een verkoopster naar me als ik het pashokje in ga. Maar dit keer weet ik dat dat niet is omdat ze me herkent, die arme koopverslaafde vrouw. Ik kom hier niet vaak. Ze weet niet wie ik ben. Ze is gewoon vriendelijk. Dat is een goed teken. Ik weet niet waarom, maar het voelt als een goed teken. En ze draagt een outfit die duidelijk is uitgezocht door haar baas, om reclame te maken voor de kleding in de winkel. De kleren staan haar niet. Dat is ook een goed teken.
Ik doe mijn jas uit en trek het coole zwarte jasje aan. Dit keer moet ik het hokje uit om in een enorme spiegel te kijken. “Staat leuk hè?” bemoeit de verkoopster zich er onmiddellijk mee, voordat ik ook maar de kans gekregen heb om zelf te kijken. Ik hou mijn hoofd schuin en bekijk mezelf. Ze heeft absoluut gelijk. Het staat leuk. Superleuk. “Zeg niet dat je het met haar eens bent,” fluistert Duiveltje in mijn oor. “Wat je ook zegt, zeg dat niet.” Ik weet niet wat hij van me wil, maar ik gehoorzaam hem, zoals gewoonlijk. “Ik weet het niet…” Ik hoor mezelf de woorden zeggen alsof ze niet van mij komen. “Ik denk dat ik er nog een nachtje over moet slapen.” De verkoopster glimlacht. “Doe dat. We hebben nog zat van deze jasjes op voorraad.” “Zie je wel?” zegt Engeltje. “Je kunt terugkomen wanneer je het kunt betalen.”
“Ben je gek?” protesteert Duiveltje. “Je moet het hebben, NU! Het is een must-have. Je moet er niet mee wachten. Het is voor Kerst. Het is een kerstcadeautje, verdomme.”
“Je gaat geen jasje stelen. Je bent geen dief. En je zult geen dief worden ook.”
“Het is geen stelen. Het is lenen.”
“Dat zeggen alle dieven! Als je iets meeneemt zonder ervoor te betalen, heet dat stelen.”
“Nee, ik bedoel, je kunt het echt lenen! Je neemt het nu gewoon mee, en wanneer je geld hebt, kun je terugkomen en het alsnog betalen.”
“Dat is het stomste plan dat ik ooit gehoord heb. Stelen is slecht.”
“Niet waar. Het grootste deel van deze spullen is toch belachelijk duur. Ze kunnen niet verwachten dat je overal voor betaalt.”
Ik weet wie gelijk heeft. En ik weet wat ik ga doen. Ik ga niet het goede doen. Want om de één of andere reden wint Duiveltje altijd. Ik wil dit jasje. En ik kan alleen maar denken aan het feit dat ik alleen ben met Kerstmis en ik zie mezelf in dit jasje, wandelend door de besneeuwde straten, en alleen zijn zal plotseling cool zijn en mijn haar zal niet meer pluizig zijn en alles zal helemaal goedkomen en ik geloof echt dat dit jasje alles kan veranderen. Dus ik moet het hebben. En het is niet zo moeilijk, want ik ben een slim meisje. Ik heb vier jasje mee naar binnen genomen, in verschillende maten. Het zal de verkoopster niet opvallen als ik met drie jasjes naar buiten kom in plaats van met vier. En mijn trenchcoat is groot genoeg om één jasje te bedekken. De capuchon zit aan het jasje vast met drukkertjes. Het is belachelijk makkelijk om hem los te trekken en hem te verstoppen in mijn tas. Niemand zal het merken. En ik heb een gratis geweldig jasje.
Mijn hart bonst wild als ik het pashokje uitstap met drie jasjes. Het voelt alsof ik xtc of speed heb genomen of zoiets. Ik geef de drie jasjes aan de verkoopster. Ze kijkt me achterdochtig aan. Of misschien verzin ik dat maar. Dit is ongetwijfeld het engste dat ik ooit heb gedaan. Ik glimlach vriendelijk naar haar en loop weg. Als ik weg kan komen met dit jasje onder mijn jas, als dit me echt gaat lukken, weet ik dat ik alles kan.
Ik kan niet alles, realiseer ik me. Te laat. Wanneer er iets begint te piepen, net als eerder vanmiddag, maar nu harder, veel harder. Piep, piep, piep. Dief, dief, dief. “Maak dat je wegkomt!” zegt Duiveltje. “Zeg dat het per ongeluk was!” zegt Engeltje. Maar ik ben compleet verlamd. Ik kan me niet bewegen. Ik luister naar het gepiep tot ik een hand op mijn schouder voel. “Komt u maar eens even mee, mevrouw. Ik denk dat u iets uit te leggen heeft.” Maar ik denk niet dat ik dit kan uitleggen. Duiveltje heeft me hiertoe overgehaald. Ik moet gek zijn. Koopverslaafd en gek.